NSA, politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (2) Orwell’s ‘1984’ en permanente oorlog

tomtom
Posted on 0
De onthullingen van Edward Snowden over de wereldwijde afluistersystemen die door de Amerikaanse National Security Agency (NSA) worden gerund hebben velen ertoe te gebracht om de slogan uit het boek ‘1984’ aan te halen, ‘Big Brother Is Watching You’. In Orwell’s nachtmerrie-achtige toekomstfantasie, wordt dit gedaan via overal aanwezige ‘teleschermen’ die de Partij gebruikt om leugenachtige propaganda te verbreiden en de bevolking te bespioneren.
 


Dit was echter niet alleen maar een kwestie van propaganda en bewaking. Het systeem berustte ook op een permanente staat van oorlog en de staat van beleg die daarmee gepaard ging. Orwell’s boek was geïnspireerd door de autoritaire wending van het Sovjet-communisme onder Stalin, maar zoals we vandaag kunnen zien is het van veel bredere betekenis. Vooral omdat het een wetenschappelijke analyse bevat van het verband tussen oorlog en repressie plus afluisteren. In de roman wordt deze kwestie behandeld door de auteur van een fictief boek-in-het-boek, ‘Emmanuel Goldstein’, alter ego van Trotzki. Goldstein’s fictieve ‘Theory and Practice of Oligarchical Collectivism’ is een bron van troost voor de hoofdpersoon van 1984, een Snowden of Manning avant la lettre. Het bevat een stelling die opmerkelijk actueel is.

‘Goldstein’ legt in zijn verhandeling (in ‘1984’) uit dat oorlog in de huidige tijd niet langer een zaak is van de heersende groepen van verschillende landen die elkaar bevechten. ‘De oorlog wordt door iedere heersende groep gevoerd tegen zijn eigen onderdanen, en het doel van de oorlog is niet om gebied te veroveren of te verdedigen, maar om de bestaande maatschappijorde in stand te houden.’ Door de oorlog permanent te maken, is het begrip oorlog in de oude betekenis van de baan, concludeert Orwell/Goldstein.
In het huidige ‘Oceanië’ (de Atlantische wereld, een van de drie blokken in ‘1984’) wordt deze voorspelling bewaarheid in de Oorlog tegen de Terreur. De ‘terroristen’, dus al-Qaeda of een van de uitlopers ervan, zijn geen vijand die verslagen moet worden maar een Amerikaanse bondgenoot uit de tijd van de anti-Sovjet-opstand in Afghanistan. Nadat Gorbatsjov zich uit die strijd had teruggetrokken, werd al-Qaeda een machtsinstrument voor de Amerikaanse politiek dat benut kon worden voor andere doeleinden. Maar het moest ook goed in de gaten worden want uiteindelijk waren dit figuren die het Afghaanse communisme hadden bestreden vanuit de ideologie van de jihad, geïnspireerd door de anti-Westerse, Wahabi-versie van de Islam uit Saoedi-Arabië.
De organen die belast zijn met het bewaken van zulke potentieel onhanteerbare bondgenoten zijn de inlichtingendiensten. Zij zijn het ook die buitenlandse oorlogvoering (vandaag de dag, de Oorlog tegen de Terreur) koppelen aan spionage in eigen land. In de VS was het bespioneren van de eigen bevolking de taak van de FBI onder haar legendarische directeur, J. Edgar Hoover. Hoover wilde direct na de Tweede Wereldoorlog president Truman mee krijgen met het idee dat het Amerikaanse State Department, dat volgens Hoover geïnfiltreerd was door de Sovjet-spionagenetwerk, aan een onderzoek moest worden onderworpen. Toen de president dit paranoïde voorstel wegwuifde, wendde Hoover zich tot het Huis van Afgevaardigden en de Senaat en daar wist hij resp. Richard Nixon en Joseph McCarthy voor zijn heksenjacht te winnen. De vervolging van ‘On-Amerikaanse activiteiten’ was een feit en zou diepe sporen achterlaten in het Amerikaanse publieke bewustzijn. Het McCarthyisme luidde de Kouode Oorlog in maar in zekere zin bereidde het de VS en het bredere Westen ook voor op een collectieve psychose zoals die van de Oorlog tegen de Terreur.
Toch waren in de periode de technische middelen om de bevolking en haar vijanden te bespioneren nog beperkt, vandaar dat Eisenhower, toen nog stafchef van het Amerikaanse leger, de strijdkrachten in 1946 opriep om nauwer samen te werken met civiele research en ontwikkeling. Zo moesten nieuwe militaire machtsmiddelen worden verworven. In 1952 werd Eisenhower tot president gekozen. Met Nixon als vice-president maakte het McCarthyisme nog één laatste hoogtij mee; maar toe de Senator zijn pijlen richtte op het Amerikaanse leger werd hij afgeserveerd.
Het bespioneren van het berichtenverkeer werd echter voortgezet. In de periode 1947 tot 1975 verzamelde de NSA al miljoenen telegrammen die van en naar Amerikaanse adressen waren gestuurd, krachtens een geheime overeenkomst met drie telegrafiemaatschappijen. Op een computersysteem van de CIA waren 200.000 individuen geregistreerd en in één CIA-operatie, ‘CHAOS’ (1967-1973) belandden meer dan 7000 Amerikaanse burgers en meer dan 100 groepen in de registers.
Vandaag de dag is het afluisteren door de NSA en andere diensten onbeperkt geworden. In waarlijk Orwelliaanse geest (denk aan zijn ‘Ministerie van Waarheid’) zijn grote Internetbedrijven zoals Google behulpzaam om het zgn. nepnieuws af te vangen, zodat mensen niet aan ongewenste informatie (‘samenzweringstheorieën’) zullen worden blootgesteld. De maatschappijen hebben hun algoritmes bijgesteld om linkse sites niet langer te laten verschijnen bij het zoeken op Internet. De World Socialist Website, Global Research, en meer van zulke sites hebben al forse dalingen in aantallen bezoekers vastgesteld. Facebook volgt instructies van de Amerikaanse en Israëlische regeringen op om accounts met ongewenste informatie te verwijderen. Waarom doen ze dat anders dan ter wille van een Orwelliaanse ‘voortdurende oorlog’—tégen de bevolking?
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis

Add CommentYour email address will not be published