Op oorlogspad

Category
Op oorlogspad

Tegenstanders verhoging Defensiebudget vonden vooral gehoor bij de VVD

Persbericht


Eén dag nadat VVD-cofyfee Hans Wiegel met een tank naar het Tweede Kamergebouw optrok om het pleidooi voor een verhoging van het Defensiebudget kracht bij te zetten, toog een delegatie van Oorlog is geen Oplossing NL samen met de voorzitter van Vrouwen voor Vrede, Tiny Hannink, en een bestuurslid van Kerk en Vrede, Henk Blom, naar het Binnenhof om bij de leden van de Kamercommissie voor Defensie een Manifest tegen de verhoging van het Defensiebudget aan te bieden. Het pleidooi in dit manifest werd ondersteund door een 15-tal vredesorganisaties enkele tientallen wetenschappers, vredesactivisten en andere betrokken burgers.


Namens de delegatie meldde Kees van der Pijl dat Oorlog is geen Oplossing met haar manifest terug wilde naar het gezonde verstand en zich juist verzette tegen het angstdenken zoals dat gisteren nog met het pantservoertuig was gedaan. Op een diagram dat de delegatie had meegenomen waren de wereldwijde Defensie-uitgaven in kaart gebracht en werd aldoende zonneklaar gemaakt dat er geen enkele noodzaak was het Nederlandse Defensiebudget te verhogen omdat de Russen of Chinezen daar ook mee bezig was. De onveiligheid in de wereld komt eerder voort uit een teveel aan “Defensie-inspanningen” dan aan een tekort daaraan. Dat laatste was ook de kern van het opinie-artikel van Van der Pijl dat het dagblad Trouw vanochtend had geplaatst.


De petitie werd in ontvangst genomen door een vijftal leden van de Tweede Kamercommissie voor Defensie: voorzitter Han ten Broeke, zijn VVD-partijgenoten Fred Teeven en Ronald Vuijk, PvdA-woordvoerder Sultan Günal-Gezer en SP-woordvoerder Jasper van Dijk. In een gesprek na afloop van de formele overhandiging stelde de heer Vuijk dat hij het met de delegatieleden eens was dat oorlog niets oploste en er altijd naar een politieke oplossing voor internationale conflicten gezocht moest worden en dat de recente geschiedenis leert dat de gevoerde oorlogen in Afghanistan, Irak en Libië de situatie eerder hebben verergerd. In reactie op het meegebrachte diagram erkende hij ook dat er geen enkele veiligheidspolitieke noodzaak was om het Defensiebudget te verhogen, maar dat er nu eenmaal internationale afspraken waren gemaakt om aan de (NAVO-)norm van 2% te voldoen en dat Nederland, net als verreweg de meeste andere landen, daar nog lang niet aan voldeden. De suggestie om die norm of eventueel het NAVO-lidmaatschap ter discussie te stellen, was wat hem betreft in het geheel niet aan de orde.


Morgen en overmorgen vindt de plenaire behandeling van de Defensiebegroting plaats en vanuit Oorlog is geen Oplossing zullen wij dit debat nauwlettend in de gaten houden.
Op oorlogspad

Aanbieding Manifest tegen de verhoging van het Defensiebudget

Persbericht


Op dinsdag 10 november a.s. om 13.15 uur biedt een delegatie van OorlogIsGeenOplossing.nl een manifest tegen verhoging van de defensie-uitgaven aan aan de defensiewoordvoerders van de Tweede Kamer die 11 en 12 november over de defensiebegroting debatteren.

Het manifest is ondertekend door 17 organisaties en 64 persoonlijkheden uit de wereld van de wetenschap en vredesbeweging alsmede betrokken burgers en zal worden aangeboden door een delegatie bestaande uit Tiny Hannink, voorzitter van Vrouwen voor Vrede, Henk Blom, bestuurslid van Kerk en Vrede, alsmede Jan Schaake, Peter van Griensven, Joël van Dooren en Kees van der Pijl van OorlogIsGeenOplossing.nl.

De inzet van het manifest is dat

a) in de argumenten voor een verhoging van de Nederlandse defensie-uitgaven een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van het Westen voor de chaos in het Midden-Oosten en Noord-Afrika (inclusief de migratiecrisis) en voor de nieuwe assertiviteit van Rusland ontbreekt;

b) alle dreigingen zijn ontstaan in een periode waarin het Westen (en de VS in het bijzonder) een absolute militaire overmacht had en nog steeds heeft. Wat er ook ontbroken mag hebben in die periode, het niet een tekort aan defensie-inspanning was, en

c) als er extra-geld beschikbaar is, dit met prioriteit moet worden besteed aan onderwijs, zorg, en daarmee aan de sociale samenhang van de Nederlandse maatschappij; en in het buitenland, aan wederopbouw en stabilisatie.

De delegatie zal een ingelijst diagram van de mondiale defensie-uitgaven overhandigen om m.n. punt b te illustreren.

Het manifest staat op http://oorlogisgeenoplossing.blogspot.nl/2015/06/manifest-tegen-de-verhoging-van-het.html, De lijst ondertekenaars staat rechts op deze pagina, direct onder het blogarchief.

Op oorlogspad

Op oorlogspad (4). Defensieuitgaven vergeleken

Al eerder werd in een blog van Jan Schaake een demonstratie gegeven hoe een Russische dreiging wordt opgeblazen door de toename van de Russische defensieuitgaven af te zetten tegen de lichte daling van de uitgaven van de Europese NAVO-landen, maar niet de absolute cijfers te geven. Op de kaart hieronder, afkomstig uit de atlas van de Bank of America, ‘Transforming World’, is nog eens te zien hoe overweldigend de militaire inspanning van de VS en de NAVO is in vergelijking met de rest van de wereld (in miljarden dollars). Alleen China komt bij benadering in de buurt.



Op de kaart blijkt ook dat alleen Frankrijk en Duitsland al hogere militaire uitgaven hebben dan Rusland. Daar komt nog eens bij dat de VS 800 (achthonderd) militaire bases hebben, verspreid over de hele wereld. Nog iets waar geen andere land ook maar bij in de buurt komt.

Dus nogmaals, moeten we hogere defensieuitgaven hebben? Dat is de wereld op zijn kop zetten!

Kees van der Pijl

Op oorlogspad

Vertekende werkelijkheid


De financiële consequenties van de drie op dezelfde “supervrijdag” verzonden zgn. ‘artikel-100-brieven’ zullen pas op de komende Prinsjesdag 15 september 2015 duidelijk worden gemaakt. De Kamer wordt dus zonder inzicht in de financiële consequenties gevraagd om in te stemmen met de voortzettingen van de Nederlandse bijdragen aan de militaire missies in Afghanistan, Mali en Irak waarbij de bijdrage aan de laatstgenoemde missie mogelijk wordt uitgebreid naar Syrië.


De vierde brief die de ministers Hennis-Plasschaert en Koenders diezelfde vrijdag naar de Kamer stuurden zou hier eigenlijk over moeten gaan, want deze behelst de eerdere toezegging van het kabinet om de Kamer in het voorjaar van 2015 te informeren over de gevolgen die het verbindt aan de aangenomen “Motie-Van der Staaij c.s. over het ambitieniveau van de krijgsmacht in de komende jaren”. Het is deze motie waarmee een Kamermeerderheid afgelopen najaar heeft uitgesproken dat het Defensiebudget geleidelijk verhoogd moest worden, om te beginnen met 100 miljoen euro voor 2015.

De bewuste vrijdag 19 juni 2015 was ook wel de allerlaatste dag om de toezegging de betreffende informatie in het voorjaar van 2015 te geven gestand te doen en dat zou al een eerste indicatie kunnen zijn dat ministers Hennis-Plasschaert van Defensie en Koenders van Buitenlandse Zaken ernstig van mening verschillen over de gevolgen die het kabinet aan de motie dient te verbinden. Een tweede aanwijzing hiervoor is dat de brief eigenlijk helemaal geen nieuwe informatie bevat en voornamelijk de verschillende ontwikkelingen en beleidsnotities van de afgelopen tien maanden nog eens de revue laat passeren, terwijl voor de precieze financiële vertaling van de extra inzet van de krijgsmacht en de bestemming van de extra financiële middelen ook in deze brief wordt verwezen naar stukken die op Prinsjesdag zullen verschijnen. Het lijkt het kabinet dan ook wel goed uit te komen dat een tweetal relevante beleidsadviezen, namelijk het Interdepartementale Beleidsonderzoek ‘Wapensystemen’ en een advies over te toekomst van het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid, pas na de zomer beschikbaar zullen zijn zodat het er daarna ook pas op in hoeft te gaan.

Een derde relevant advies dat onder de titel “Instabiliteit rond Europa: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid” door de Adviesraad Internationale Vraagstukken is uitgebracht, is echter al in april 2015 verschenen. In hun brief van 19 juni schrijven de ministers “met belangstelling kennisgenomen” te hebben van dit advies, maar ze komen in de hele brief niet tot de inhoudelijke reactie die bij adviezen van de AIV wel gebruikelijk is en kondigen deze ook niet aan. Omdat het advies van de AIV thans het enige is dat al beschikbaar is, kan het geen kwaad hier eens nader kennis van te nemen.

Het advies begint met een, naar eigen zeggen, “analyse van de actuele veiligheidsontwikkelingen aan de oost- en zuidflank van Europa” en de eerste alinea van het betreffende hoofdstuk met de titel “Gordel van instabiliteit aan de grenzen van Europa” luidt als volgt:

De veiligheidsrisico’s aan de oostflank van Europa verschillen van die aan de zuidflank. Aan de oostflank heeft Europa te maken met een regio die in veiligheidspolitiek opzicht nauwelijks is geïntegreerd, met soms zwakke staten die kampen met interne instabiliteit, maar vooral met een assertief, zelfs agressief Rusland dat expansiepolitiek bedrijft. Rusland streeft naar uitbreiding van de invloedssfeer in het zogenoemde nabije buitenland, dat grotendeels overeenkomt met de voormalige Sovjetunie. Aan de zuidflank worden de Europese landen geconfronteerd met een breed palet aan veiligheidsrisico’s (terrorisme, mensensmokkel, wapenhandel, terugkerende jihadstrijders) als gevolg van zwakke of zelfs failed states als Irak, Syrië en Libië, waarvan grote delen op het moment worden beheerst door ISIS.

Wat in deze korte schets opvalt is dat met geen woord wordt gerept over het optreden van het Westers bondgenootschap in de afgelopen 10 of 25 jaar in de richting van de oost- en zuidflank. Geen woord over de NAVO- en EU-uitbreidingen met voormalige lidstaten van het Warschau-Pact en zelfs voormalige Sovjet-republieken, over het Europese oostelijk nabuurbeleid gericht op een economische binding van Europese en Zuid-Kaukasische voormalige Sovjet-republieken aan de Europese Unie en over het daarbij buiten de deur houden van Rusland. Geen woord ook over de Westerse interventies in Irak, Syrië en Libië die de genoemde staten tot failed states maakten. Niet in deze inleidende alinea en ook niet in het vervolg. De assertievere Russische politiek in het oosten en het oprukken van ISIS in het zuiden worden als autonome processen gezien waartegen het Westen zich teweer moet stellen. Hierbij zijn de opstellers van het advies nog wel zo eerlijk om aan te geven dat “dit advies niet het gehele domein van het Nederlands buitenlands beleid bestrijkt, maar (….) zich concentreert zich op het veiligheids- en defensiebeleid van Nederland”, waarbij ook nog eens uitsluitend de Nederlandse rol binnen de EU en de NAVO wordt beschouwd en “de rol van Nederland in de Verenigde Naties (…) buiten het bestek van dit advies valt”. Een dergelijke inperking op voorhand móét ook wel tot een vertekend beeld leiden.

Het voert te ver om de hele analyse van de “Gordel van Instabiliteit” van kritische kanttekeningen te voorzien, maar één grove vertekening wil ik hier toch wel ten tonele voeren, temeer omdat deze bij uitstek raakt aan de vermeende noodzaak om als Europese NAVO-lidstaten de defensiebudgetten uit te breiden. Gesteld wordt dat “de Russische militaire uitgaven sinds 2007 aanzienlijk zijn toegenomen” terwijl die van de Europese NAVO-lidstaten zijn afgenomen. Om deze ontwikkelingen te illustreren is in het advies een grafiek afgedrukt die is overgenomen uit het artikel “From cold war to hot war – Russia’s aggression in Ukraine is part of a broader, and more dangerous, confrontation with the West” dat op 14 februari 2015 in The Economist verscheen. Het gaat om de linker afbeelding waarin de relatieve stijging cq. daling van de defensieuitgaven van Rusland respectievelijk de Europese NAVO-lidstaten ten opzichte van elkaar worden geschetst. Een alarmerend beeld. Maar dat wordt het al veel minder als je, zoals ik in de afbeelding rechts heb gedaan, niet de relatieve stijging en daling, maar de feitelijke uitgaven van Rusland en de Europese NAVO-lidstaten naast elkaar zet. Dan blijken de Europese lidstaten met elkaar nog steeds bijna vier keer zoveel aan defensie uit te geven als Rusland. En daarbij zijn dan ook nog eens het Amerikaanse aandeel aan de gezamenlijke NAVO-defensieuitgaven (ongeveer drie keer zoveel als de Europese lidstaten met elkaar) en de extra defensie-inspanningen van Zweden en Finland buiten beschouwing gelaten. Cijfers liegen niet, maar de wijze waarop cijfers gepresenteerd worden k
an erg manipulatief zijn en daar maakt de AIV zich in dit advies op een wel heel erg doorzichtige wijze schuldig aan.


Hoezeer de houding van de Europese Unie jegens haar buren in de loop van de afgelopen 10 à 15 jaar is veranderd, drukken de opstellers van het AIV-advies als volgt uit: “In 2002 sprak de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie Romano Prodi, de doelstelling uit om een ‘ring van vrienden’ rondom Europa te realiseren. Meer dan tien jaar later is echter sprake van een ‘gordel van instabiliteit’.” Er wordt nog net niet gesproken van een ‘ring van vijanden’, maar de term ‘gordel van instabiliteit’ roept een sterk gevoel van dreiging op waarvan de oorzaak vervolgens als volgt wordt geschetst: “Europa wordt aan zijn oostflank geconfronteerd met een aanzienlijk sterkere, assertieve en grondstoffenrijke staat die zijn invloedssfeer met harde machtspolitiek probeert te behouden dan wel uit te breiden. Rusland is het afgelopen decennium van Europa ‘afgekeerd’, in politiek, ideologisch en in mindere mate ook in economisch opzicht. Rusland is geen strategische partner van de EU, maar vormt een strategisch probleem, zo stelde de president van de Europese Raad Donald Tusk terecht vast.”

In het naast elkaar zetten van beide citaten gaat de AIV voorbij aan het feit dat Prodi een Italiaan is en Tusk een Pool en dat de Italiaanse houding ten aanzien van Rusland over het algemeen en ook historisch een heel andere is dan de Poolse. Door dit feit hier onbenoemd te laten gaat de AIV geheel voorbij aan haar eigen pleidooi later in het advies dat “de verschillende nationale agenda’s van de lidstaten een gegeven zijn (geography is destiny) en dat diversiteit tussen de lidstaten ook als krachtig uitgangspunt kan dienen bij de inzet van een scala aan diplomatieke inspanningen ten aanzien van de buurlanden,” zo stelt de AIV op pagina 35 waar ze een heel andere sfeer ademt dan in de grove schetsen van de veranderde veiligheidsomgeving aan het begin van het advies.

Waar de AIV in haar analyse van de oostflank de nadruk legt op de toegenomen rivaliteit met de grote Oosterbuur waarbinnen de overige Oost-Europese en Kaukasische staten feitelijk aan deze machtsstrijd zijn onderworpen, schetst ze opmerkelijk genoeg een soortgelijke situatie ten aanzien van de zuidflank. “In Noord-Afrika worden landen als Saoedi-Arabië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten – landen die niet noodzakelijkerwijs dezelfde normen en waarden voorstaan als de EU – steeds meer een bepalende politieke en economische factor,” aldus de AIV, die daaraan toevoegt: “wil Europa zijn belangen (energiezekerheid en nationale veiligheid) behartigen, dan zal het ook hier rekening moeten houden met meer geopolitieke competitie.”

De AIV kiest, mogelijk ook ten gevolge van haar eigen vooraf ingeperkte taakstelling, onomwonden voor een militaire aanpak van de door haar geconstateerde dreigingen. “De EU zou er goed aan doen in de relaties met Rusland veiligheidspolitieke overwegingen een zwaarder accent te geven. (…) Hoewel economische interdependentie kan bijdragen aan internationale politieke stabiliteit heeft de specifieke, onevenwichtige wederzijdse afhankelijkheid van de EU (of lidstaten van de EU) en Rusland eerder een destabiliserend effect. (…) De EU dient afstand te nemen van het huidige model van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten. Hoewel mogelijkheden voor overleg en dialoog altijd moeten worden benut, is de kans aanzienlijk dat constructieve samenwerking voor langere tijd is uitgesloten. (…) Verder vraagt de AIV zich af of de EU nog langer moet vasthouden aan het idee van een gemeenschappelijke strategie voor de landen gelegen tussen de EU en Rusland. De ervaringen met het Oostelijk Partnerschap zijn tot dusver niet onverdeeld gunstig.” Kortom, nog minder overleg en economische samenwerking met Rusland en kiezen voor een militaire confrontatiepolitiek. Hier wreekt zich ook weer het gebrek aan enige zelfreflectie als het gaat om het ontstaan van de huidige fricties met de grote Oosterbuur. En dan hebben we het over de EU; nog niet eens over de NAVO.

Ook ten aanzien van de zuidflank wordt gekozen voor een militaire strategie. “er moet bereidheid zijn om eventueel in te grijpen in landen waar Europese vitale belangen op het spel staan dan wel sprake is van een humanitaire noodsituatie. (…) De vraag doet zich voor of de huidige inzet van crisisbeheersingsmiddelen in Noord-Afrika – de EU is betrokken bij zes civiel-militaire missies in gebieden als de Centraal Afrikaanse Republiek, Mali en Libië – afdoende is. De EU moet onderzoeken of het mogelijk is deze missies desnoods uit te breiden. Tegelijk moeten Europese landen zich ervan bewust zijn dat het Westen de problemen in de Arabische wereld niet eigenhandig kan oplossen en juist daarom moet de EU vooral ook de eigen belangen op het gebied van nationale veiligheid en energievoorzieningszekerheid, in deze turbulente periode in de Arabische wereld bewaken.” Kortom, de situatie in de Arabische wereld nog meer ontwrichten door enkel het eigenbelang na te jagen en de oplossing voor alle andere problemen aan de Arabische regeringen overlaten. Zo blijft die gordel van instabiliteit nog wel even bestaan, mocht deze zich al niet uitbreiden. En er zullen dan nog wel vaker “supervrijdagen” komen.

Wat de aanbevelingen ten aanzien van de NAVO betreft, neemt de AIV met instemming kennis van de diverse NAVO-initiatieven met betrekking tot de oostflank en stelt zij “dat de NAVO ook van potentiële betekenis is bij het uitvoeren van militaire operaties aan de zuidflank van Europa, bijvoorbeeld in Libië of elders in de MENA-regio. (…) De NAVO en de EU kunnen samen optrekken in de wederopbouw van de veiligheidsarchitectuur in Libië.”

De AIV heeft kritiek op de nadruk die de Nederlandse regering op het bewandelen van de politieke sporen inzake Oekraïne, ISIS en Libië legt en de effectiviteit hiervan Ze stelt vast dat Nederland op dit moment weliswaar voorop loopt in het proefdraaien met Duitsland en Noorwegen met de NAVO Very High Readiness Joint Task Force, het leveren van tankercapaciteit voor de AWACS-vliegtuigen en het aandeel in de Baltic Air Policing, maar “het gaat hier echter om relatief kleine bijdragen die niet kunnen verhullen dat de Nederlandse krijgsmacht sinds geruime tijd niet meer voldoet aan de eis van brede inzetbaarheid, terwijl ook het voortzettingsvermogen van enigszins omvangrijke formaties ernstig te wensen over laat. Deze tekortkomingen wegen zwaar omdat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat in antwoord op de militaire uitdaging die nu van Rusland uitgaat, de NAVO een groter beroep op de Nederlandse krijgsmacht zal doen dan waarvan sprake was (en is) bij de uitvoering van de militaire missies in Irak en Afghanistan. Ook toekomstige inzet in de MENA-regio valt niet uit te sluiten. De AIV meent dat de staat waarin de Nederlandse krijgsmacht momenteel verkeert onder de maat is.”

Uit het voorgaande blijkt al dat volgens de AIV zowel de eerste hoofdtaak van de krijgsmacht (bescherming van het eigen en bondgenootschappelijk grondgebied) als de tweede hoofdtaak (vredesmissies) door de ontwikkelingen aan de oost- respectievelijk zuidflank aan belang hebben gewonnen en versterkt dienen te worden. Maar “ook de derde hoofdtaak, te weten de nationale veiligheid, heeft aan belang gewonnen, vooral vanwege de toegenomen verwevenh
eid tussen interne en externe veiligheid als gevolg van een substantiële terroristische dreiging mede vanwege terugkerende jihadstrijders en de toenemende dreiging op het gebied van digitale spionage en digitale sabotage. ” Zal het daarom zijn dat de krijgsmacht half juni Amsterdamse wijkagenten begeleidde en op basis van ervaringen uit Afghanistan en Irak aanwijzingen gaf hoe je bepaalde situaties in de stad vanuit en dreigingsanalyse zou kunnen interpreteren?

Los van de blindheid voor het eigen optreden en het overnemen van manipulatieve illustraties, leidt de inperking tot het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid in dit AIV-advies nog wel tot de grootste vertekening van de werkelijkheid.

Jan Schaake

Op oorlogspad

Manifest tegen de verhoging van het Defensiebudget

Oorlog Is Geen Oplossing


In april jl. is door een initiatiefgroep bestaande uit oud-PvdA-politicus Harry J. van den Bergh, oud-Commandant der Strijdkrachten Dick Berlijn, oud-VVD-politicus Arend Jan Boekestijn, voormalig topambtenaar bij Defensie Lodewijk Casteleijn, oud-CDA-minister van Defensie Hans Hillen, generaal-buiten-dienst Cees Homan en oud-PvdA-politicus Gerrit Valk een ‘Manifest over versterking van de Nederlandse defensie’ uitgebracht dat pleit voor een verhoging van de defensieuitgaven van ons land met 1,5 miljard euro. Het Manifest is ondertekend door 31 personages uit de wereld van de defensiepolitiek in de ruimste zin van het woord (d.w.z. tot en met voormalig vredesvoorman Mient Jan Faber). 


O҂O
OorlogIsGeenOplossing.nl

OorlogIsGeenOplossing.nl keert zich met klem tegen deze oproep om redenen die zich laten samenvatten onder de volgende hoofdjes. 


1. De verantwoordelijkheid van het Westen in het oproepen van de in het Manifest gesignaleerde ‘dreigingen’ wordt genegeerd In plaats van in te zetten op een wereldorde gericht op vrede, rechtvaardige ontwikkeling en herstel van de biosfeer van de aarde, is het Westen onder Amerikaanse leiding onmiddellijk na de ontbinding van de Sovjet-Unie in 1991 begonnen aan een opmars die ons inmiddels tot aan de Russische grenzen heeft gebracht en die het Midden Oosten en Noord Afrika in brand heeft gezet. In tegenstelling tot onze buurlanden heeft Nederland in geen enkele van de afzonderlijke conflicten (Joegoslavië, Afghanistan, Irak, Libië, Jemen, Syrië. Oekraïne…) afstand genomen van de Amerikaanse c.q. NAVO-politiek.

2. Geen enkele ‘dreiging’ is veroorzaakt door militaire zwakte van Westerse, NAVO- of Nederlandse zijde
Alle ontwikkelingen die nu als ‘dreiging’ worden gepresenteerd, dateren uit de periode nadat de Verenigde Staten de Sovjet-Unie in de wapenwedloop verslagen had. Sindsdien schommelt het Amerikaanse defensiebudget op een niveau van ongeveer de helft van de mondiale militaire uitgaven, meer dan de daarop volgende 10 grootste landen bij elkaar. Wat ons bedreigt zijn de gevolgen van door het Westen afgedwongen regimeverandering in een aantal landen, ongelijkheid en armoede in de wereld, uitputting van de biosfeer (van klimaatverandering tot visbestanden), en niet een tekort aan defensie-inspanning in Nederland.

3. Het Manifest geeft blijk van een ongefundeerde nostalgie naar de militaire doctrine van de Koude Oorlog
De verkleining van de krijgsmacht wordt in het Manifest breed uitgemeten, maar niet gekoppeld aan de gewijzigde taakstelling van de NAVO: van een verdediging tegen een grote conventionele invasie in een eigen sector naar een mobiele wereldwijd opererende strijdmacht. Vervanging van de zware pantsereenheden naar lichtere, verkleining van het Eerste Legercorps met zijn twee parate divisies (en één mobilisabele) van dienstplichtigen, naar 9 bataljons beroepsmilitairen vloeien daar rechtstreeks uit voort. Als men daar bezwaar tegen heeft, was het 50-jarig bestaan van de NAVO tijdens de Kosovo-oorlog in 1999, toen gekozen is voor ‘out of area’-missies, het moment geweest om te protesteren. Dat een terugkeer naar de militaire situatie van voor 1991 een reële optie zou zijn en dat met die optie de veiligheid van Nederland gediend is, kan geen serieuze defensiespecialist volhouden.

4. De in het Manifest gesignaleerde ‘dreigingen’ zijn niet met elkaar te vergelijken en vragen elk om een aangepast antwoord
Dat Rusland op de militaire activiteiten aan zijn grenzen reageert met eigen machtspolitiek neemt niet weg dat er door Moskou ook voortdurend is geprobeerd spanningen te verminderen. In Afghanistan heeft de NAVO gebruik kunnen maken van bases in Rusland. In Syrië kwam Rusland de VS en het Westen te hulp door de strijdgassen van het regeringsleger elders te laten vernietigen, in Iran door oplossingen voor verrijking van uranium aan te dragen met garanties tegen misbruik. Dat Rusland zich actief verzet tegen integratie van Georgië en Oekraïne in de NAVO kan moeilijk als dreiging tegen Nederland worden beschouwd. Daarom moet de wens van Rusland om te onderhandelen en af te zien van sancties worden gehonoreerd.
Wat terrorisme van jihadisten betreft, hier draagt het Westen een grote verantwoordelijkheid aangezien het dit vanaf 1978 in Afghanistan heeft gesteund, direct en via bondgenoten zoals Saoedi-Arabië. Om de voedingsbodem voor rekrutering van jihadisten weg te nemen, is geen versterking van de Nederlandse defensie nodig, maar bestrijding van werkeloosheid en armoede, zowel hier als in het Midden Oosten en Afrika.

5. De Nederlandse bijdrage aan een stabilisering van de internationale verhoudingen zal moeten bestaan in herstel van de internationale rechtsorde
Zo onnodig als het is dat Nederland een nog grotere bijdrage levert aan de destabilisatie van de internationale verhoudingen, zo dringend is het dat wij helpen de internationale rechtsorde te herstellen. Het Manifest verwijst hier wel naar, maar vergeet te vermelden dat de aanvallen op Joegoslavië en de invasie van Irak plaatsvonden zonder VN-mandaat en dat in Libië een mandaat om de burgerbevolking te beschermen werd uitgelegd als een vrijbrief voor regimeverandering. Nederland heeft een lange traditie van inzet voor het volkenrecht, al was dit vooral ingegeven door welbegrepen (economisch) eigenbelang en minder door altruïstische motieven. In plaats van in te zetten op verdere militarisering van onze buitenlandse politiek, is extra investeren in onderhandelingen, conflictbeheersing en (ontwikkelings-)samenwerking, dringend geboden.

Juni 2015