politiestaat

Category
politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (9) Hoe de bevolking er in de crisis onder gehouden kan worden

De grote uitdaging voor de Westerse, kapitalistische wereldorde is de groei van een bevolking die niet meer zo makkelijk onder controle kan worden gehouden. In het neoliberale kapitalisme, gedomineerd door het speculatieve financiële kapitaal, waarbij werkgelegenheid in een publieke sector idealiter wordt uitgesloten, is een grote, overtollige bevolking ontstaan. Door de ineenstorting van het Sovjetblok, die volgde op de openstelling van China, is het wereldaanbod van arbeid in twintig jaar tijd verdubbeld van 1,5 naar 3 miljard mensen. 

 
 
Nu de sociale bescherming door de staat over de hele wereld is weggesaneerd door schuldencrisis en ideologische corruptie, staan bevolkingen oog in oog met het transnationale kapitaal. Geen staat die hen daarbij nog beschermt. Dit is de situatie die een politiestaat nodig maakt, zowel in het Atlantische ‘Westen’ als wereldwijd, in de vorm van de ‘Oorlog tegen de Terreur’. 
 
In het Westen en Japan wordt het probleem van een overtollige bevolking, nu de welvaartsstaat wordt afgebouwd, opgelost door een politiek die de mensen direct van de arbeidsmarkt afhankelijk maakt. Niet langer worden arbeiders in leven gehouden gedurende periodes waarin ze zonder werk zijn of ziek; de lat daarvoor wordt hoger gelegd. In de jaren 90 werd onder Clinton, Blair en in Nederland, Wim Kok, de druk om aan het werk te blijven verhoogd. Het aantal ‘werkende armen’ nam als gevolg daarvan toe en het ontbrekende inkomen werd aangevuld met consumentenkrediet. In Nederland viel het op dat punt wel mee, maar op het vlak van flexibilisering van de arbeid zijn we een koploper. Die onzeker gemaakte massa moet er wel onder gehouden worden.
In de niet-Westerse wereld, ook de voormalige staatssocialistische wereld, wordt de toename van de beschikbare loonafhankelijke bevolking anders aangepakt. Een deel van die bevolking is tewerkgesteld in zogenaamde ‘waardeketens’, nu de dreiging van nationalisatie door het instorten van het communisme is weggevallen en er veilig geïnvesteerd kant worden. Aan de uiteinden van deze ketens leven arbeiders in omstandigheden die gekenmerkt worden door extreme uitbuiting en armoede. Hun levens worden bepaald door geweld, vervuiling en ecologische crisis. Toch kunnen zelfs deze mensen in principe georganiseerd worden en tot loonstrijd komen. Pogingen om collectieve rechten te veroveren, zoals een regionaal minimumloon voor Azië, zijn een teken dat dit een reële mogelijkheid is.
De arbeiders die voor vakbondsactie gemobiliseerd kunnen worden, zijn echter op zichzelf maar een kleine, ja kleiner wordend deel van de hele loonafhankelijke bevolking. De op export gerichte industrie is geconcentreerd in China, Korea en Taiwan; in de rest van de Derde Wereld is de werkgelegenheid door grootschalige bedrijfssluitingen en voortgaande de-industrialisatie als gevolg van de neoliberale aanpassingspolitiek die het Westen oplegt, verregaand afgebouwd, met catastrofale gevolgen. Er zijn schattingen dat in 2008, het jaar van de financiële crisis, 82 procent van de werkgelegenheid (buiten de landbouw) in Zuid-Azië ‘informeel’ was; 66 procent in Afrik beneden de Sahara, 65 procent in Oost- en Zuidoost-Azië en 51 procent in Latijns Amerika. Tegelijkertijd loopt het platteland leeg omdat alleen grote, concurrerend opererend landbouwbedrijven kunnen overleven in de landbouw die voor de wereldmarkt werkt. Vooral in Afrika beneden de Sahara blijven van landen alleen de grondstoffenvoorraden over, de overtollige bevolking leeft er onder steeds riskantere omstandigheden, conflict is normaal. Naarmate de illusies over lokaal ‘ondernemerschap’ (gesteund door NGOs en micro-krediet) vervliegen, wordt de realiteit van een overtollige bevolking van een miljard of meer duidelijker. Steden groeien zoals nooit tevoren en de kansen op werk worden minder. Dat is de werkelijke crisis van het mondiale kapitalisme. Geen wonder dat mensen elders een beter leven zoeken.
Huntingtons ‘Botsing der Beschavingen’ (oorspronkelijk verwoord in 1993, kort na de instorting van de Sovjet-Unie) ziet de islamitische wereld als de plek waar de concentratie van mensen voor wie geen emplooi meer is, het grootste is. De opkomst van de Islam, schrijft hij, wordt aangedreven door groei van een bevolking zonder werk. Huntington signaleert daarbij een ‘islamitische neiging tot gewelddadig conflict’, het is een ‘religie van het zwaard.’ Daarmee geeft hij aan dat we het ook met geweld tegemoet moeten treden. Dat was natuurlijk een welkome boodschap voor het Amerikaanse militair-industriële complex. Maar in ruimere zin sprak dit natuurlijk de heersende klasse en de media aan, omdat het aanwijzen van een vijand essentieel is om de gelederen van een maatschappij gesloten te houden, vooral een maatschappij in crisis.
Oorlogen gericht op het veroveren van belangrijke grondstoffen, vooral olie en gas, maar gevoerd in naam van het bestrijden van (islamitische) ‘terreur’, worden zo mogelijk gemaakt. Ze worden aangevuld door populistische anti-Moslimpartijen die de ontevredenheid over de gevolgen van de crisis mobiliseren en die wijten aan immigranten.
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
NAVO, politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (8) Afluisteren is uiteindelijk bedoeld voor oorlogvoering

Het vermogen van de Verenigde Staten en de ‘Five Eyes’ en hun partners om de eigen bevolking te bespioneren kreeg een forse duw door de revolutie in de informatietechnologie (IT). Deze had haar brandpunt in de VS omdat alleen daar zo’n ontwikkeling gefinancierd kan worden met tekorten en als onderdeel van militaire uitgaven. In de jaren 80 financierde het defensie-onderzoeksbureau DARPA het onderzoek naar kunstmatige intelligentie aan de universiteit van Stanford in Californië, omdat de VS toen al plannen hadden om alle computer databases in het land te controleren. Reagans Nationale Veiligheidsadviseur, Admiraal John Poindexter, die daarbij betrokken was, moest opstappen vanwege het Iran-Contra schandaal, maar hij zou later hoofd worden van het bureau voor ‘Totaal Informatiebewustzijn’ binnen DARPA. 

 
 
Net als Orwells ‘teleschermen’ waren de ontwikkelingen in de Amerikaanse IT-industrie bedoeld om naar twee kanten te werken: enerzijds om informatie te vergaren, anderzijds om propaganda te verspreiden. In 1989 werd een strategie voor ‘informatieoorlog’ (Engels, ‘IW’) ontwikkeld om tegenstanders te intimideren en bondgenoten (ook hun burgers) ervan te overtuigen dat de Amerikaanse resp. westerse zaak ‘rechtvaardig’ is. Er werd een uitgebreid netwerk van contacten opgezet tussen de machtigste spionagediensten van het Pentagon zoals de NSA en de DIA (Defense Intelligence Agency) enerzijds, en een reeks privébedrijven, onder andere Booz Allen (werkgever van Edward Snowden) anderzijds, met als doel om Totaal Informatiebewustzijn mogelijk te maken. Alles wat er geweten kan worden moet het eerst bekend zijn bij de VS en de inlichtingendiensten van de ‘Five Eyes’.
In 1994 realiseerden twee PhD studenten in Stanford, Sergey Brin en Larry Page (beide inmiddels miljardair als oprichter-eigenaars van Google) een doorbraak met hun geautomatiseerde zoekmachine die ook een mechanisme heeft om de pagina’s in volgorde te plaatsen. Dat was deel van een DARPA-project en er kwam uiteindelijk Google’s zoekmachine uit voort. Gedurende het werk aan deze nu vertrouwde voorziening rapporteerde Brin regelmatig aan de MITRE Corporation, een belangrijk Amerikaans militair bedrijf dat werkt voor de NSA, de CIA en de directeur van de verzamelde inlichtingendiensten (DCI), alsmede aan het bureau voor research en ontwikkeling van de CIA, ORD.
De subsidies van DARPA aan Stanford, waaruit Google voortkwam, gingen altijd over het ontwikkelen van technologieën voor oorlogvoering en inlichtingen die daarvoor nodig zijn. Of we het nu hebben over Google, het internet als werkterrein voor deze en andere ondernemingen, of over het hele scala van belangrijke IT-innovaties, allemaal waren ze producten van research die door DARPA of anderszins met de defensie verbonden instanties was gefinancierd.
Op het eind van de jaren 90 kwam de strateeg John Arquilla met zijn begrippen ‘weboorlog’ en ‘cyber-oorlog’, die hij ontwikkelde voor de RAND Corporation en andere militaire onderzoeksinstellingen. Daaruit werden andere termen afgeleid zoals ‘netwerk-oorlog’, ‘netwerk-afschrikking’, ‘informatie-oorlog’ en ‘zwermen’. Met het geolocatiesysteem GPS werden de mogelijkheden voor het spioneren spectaculair uitgebreid. GPS steunt op een systeem van 24 satellieten en werd ontwikkeld voor het Pentagon om militaire eenheden op de juiste plek te kunnen stationeren. Tegenwoordig zit het op iedere smartphone en levert het een overzicht van waar iemand geweest is, gegevens die vervolgens keurig worden opgeslagen. De eerste keer dat het systeem gebruikt werd was toen Amerikaanse troepen in Saoedi-Arabië belandden aan de vooravond van de Eerste Golfoorlog en ze GPS gebruikten om in de onbekende woestijnomgeving hun weg te vinden.
Een centrale militaire GPS-toepassing is de drone, een uitvinding van de Israëlische luchtvaartingenieur Avraham Karem. Karem emigreerde in 1977 naar de VS en ontwikkelde daar de Predator drone voor General Atomic, een bedrijf dat ooit onderdeel was van General Dynamics. De drone gebruikt GPS en is verbonden met een thuisbasis in de VS, en zou uiteindelijk een spionagemiddel worden dat in staat is om een waargenomen doel direct zelf te bestoken.
Vanaf de jaren 90 werd zo een ‘kill chain’, een dodelijke keten, beschikbaar. Die was gebaseerd op Totaal Informatiebewustzijn en bestaat uit drones die in conflictgebieden patrouilleren en verbonden zijn met commandocentra in de VS. Deze kunnen dan directe aanvallen uitvoeren. We denken daarbij meestal aan Amerikaanse operaties zoals in Afghanistan, of na de regime-wisseling in Libië, in Afrika (de belangrijkste Amerikaanse drone-basis is nu in Niger). Maar met het dichterbij komen van een dreigende Amerikaanse resp. NAVO-oorlog in Europa, kan het ook hier een kwestie van leven en dood worden.
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (5) Hoe Amerikaanse tekorten de informatierevolutie en massaal afluisteren mogelijk maakten

De lancering door de Sovjet-Unie van de eerste ruimtesatelliet, de Spoetnik, eind 1957 was tevens het startschot voor het Amerikaanse onderzoeksprogramma dat tot de informatierevolutie zou leiden. Binnen een maand na het Russische succes stelde de nieuwe minister van defensie in Washington voor om een centraal onderzoeksinstituut op te richten en in januari 1958 werd het Congres uitgenodigd om de fondsen Voor een Advanced Research Projects Agency (ARPA) ter beschikking te stellen.
 
 
Nadat de later dat jaar opgerichte NASA ruimtevaartonderzoek onder haar hoede nam, schakelde ARPA om naar antiraket-verdediging en wat later GPS, geo-locatie, zou worden. Tevens legde in de jaren 60 de basis voor digitale communicatietechnologie, (ARPANET) waar het Internet op gebaseerd is. In 1972 werd ARPA met de D (van Defence) omgedoopt tot DARPA en het agentschap begon nu ook de afdelingen computerwetenschap aan Amerikaanse universiteiten te financieren. Die zouden de IT-revolutie in gang zetten en uiteindelijk massaal afluisteren mogelijk maken. ‘Silicon Valley’ was in die zin het resultaat van de samenwerking van de Amerikaanse overheid en het bedrijfsleven in de Koude Oorlog.
Dat de VS de leiding kon nemen op dit nieuwe terrein had alles te maken met de herstructurering van de kapitalistische wereldeconomie in die periode door het besluit in 1971 om de gouddekking van de dollar los te laten. Dat was onvermijdelijk geworden om te voorkomen dat Amerika, vooral als gevolg van de kosten van de Vietnam-oorlog, niet aan zijn betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. De meeste leden van de regering-Nixon wilden toen nog proberen om de handels- en begrotingstekorten die hiertoe geleid hadden, recht te trekken. Maar enkele anderen stelden toen al voor om voortaan de Amerikaanse tekorten te financieren met leningen en buitenlandse investeringen. Nadat in 1973 was overeengekomen om een systeem van flexibele wisselkoersen in te voeren, werd de papieren dollar in feite wereldreservemunt. Zo werd de VS, toen eenmaal de aanvankelijke dollarinflatie onder controle was gebracht in 1979, de voornaamste bestemming voor de overschotten aan geld en goederen in de wereldeconomie. Yanis Varoufakis gebruikt daarvoor het beeld van de Minotaurus, het monster op Kreta dat met mensenoffers gevoed moest worden, nu dus geld en goederen.
Hierdoor kreeg de beginnende IT-revolutie haar Amerikaanse epicentrum, gefinancierd door leningen, ook uit het buitenland. Zonder zich nog om overheidstekorten zorgen te hoeven maken, begon de VS op grote schaal kapitaal te importeren door de verkoop van staatsobligaties. Dit maakte het onder andere mogelijk om de IT-revolutie te financieren met geleend geld, hoofdzakelijk via de defensiebegroting. Immers, de politieke cultuur van de VS met haar lofzang op de vrije markt en concurrentie, maakt federale steun voor de industrie taboe. Via het Pentagon en de defensiegelden werd de modernisering van de industrie daarentegen alsnog gesubsidieerd onder het aanroepen van de nationale veiligheid.
 
 
Er is dus nooit sprake geweest van een civiele informatierevolutie die later door militairen en de inlichtingendiensten is ingepalmd; de IT-revolutie was van het begin af aan onderdeel van de Amerikaanse defensie-inspanning en het inlichtingenapparaat. Hieruit kwam de coalitie voort tussen het militair-industrieel complex, de grote IT-bedrijven en academische onderzoeksinstellingen en Wall Street. Onderzoek en de wetenschap in het algemeen werden zo afgestemd op militaire en inlichtingenvereisten, compleet met de noodzakelijke geheimhouding. Zo werd de democratie zelf bedreigd.
Het internet was grotendeels een product van dit complex van krachten. Vandaag de dag echter is het duidelijk dat het internet als mondiaal netwerk de Amerikaanse en NAVO-invloed ook potentieel ondermijnt. Het stelt mensen immers in staat hun eigen informatievoorziening te regelen en de rol van redacties die de ‘officiële lijn’ ondersteunen, te omzeilen. Vandaar de noodzaak om alles wat over het Internet passeert, te controleren.
Deze controle en het consolideren van de aanvankelijke Amerikaanse voorsprong worden uitgevoerd samen met de zgn. ‘Five Eyes’ en hun favoriete partner, Israël. Om nu te begrijpen hoe massaal afluisteren onderdeel werd van de permanente oorlogs- en uitzonderingstoestand (de ‘Oorlog tegen de Terreur’) moeten we de opkomst van een Neo-Conservatief nieuw Rechts onderzoeken.
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
Grafiek Michiel Kassies
NSA, politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (4): De geheime diensten tegen de eigen gekozen leiders

Ons wordt voorgehouden dat ‘de terroristen’ jaloers zijn op ‘onze manier van leven’ en daarom moeten de inlichtingendiensten ons tegen hen beschermen (en ons afluisteren). Maar die diensten hebben ook een eigen politiek. Dus de inlichtingendiensten van de ‘Five Eyes’ (waar Nederlandse geheime diensten de toeleverancier van zijn) hebben van tijd tot tijd ingegrepen in de eigen politiek en gekozen leiders opzij geschoven. 
 
 
De moord op president John F. Kennedy in 1963 en het bespioneren van Nixon naar aanleiding van diens ontspanningspolitiek met de Sovjet Unie en zijn opening naar China zijn voorbeelden. Kennedy had het met de CIA aan de stok gekregen over de invasie van de Varkensbaai op Cuba, terwijl Nixon de CIA tegen zich in het harnas had gejaagd door James Schlesinger opdracht te geven om als directeur de bezem er eens goed door te halen. Dit bracht delen van de geheime diensten, de strijdkrachten en de media ertoe om aan Nixons afzetting te gaan werken. Met andere woorden, de geheime diensten van de VS en de bondgenoten hebben niet alleen buitenlandse regeringen ten val gebracht maar ook als het zo uitkwam, hun eigen.

In de nasleep van Watergate bracht de Commissie-Church in de Senaat de onwettigheid van de contraspionage-activiteiten van de FBI aan het light. De dienst hield ook dossiers bij van Amerikaanse congresleden. Bij het overlijden van J. Edgar Hoover in 1972 blek dat de FBI-directeur meer dan 1000 dossiers van Senatoren en leden van het Huis in zijn bezit had. Wetten zoals de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) van 1978, bedoeld om aan het afluisteren een halt toe te roepen, maakten het de diensten juist makkelijker. Het zogenaamde FISA gerechtshof kon telefoonmaatschappijen gewoon opdragen om gegevens van gesprekken tussen Amerikaanse en buitenlandse bellers af te geven; praktijken die gewoon doorging na de verkiezing van president Jimmy Carter in 1976.
Carter was verkozen als de ‘cleane outsider’ en zijn mensenrechtenpolitiek, hoewel zeer selectief toegepast, leek dat te bevestigen. Niettemin werden in 1978 plannen voor de noodtoestand bij binnenlandse onlusten weer uit de kast gehaald nadat Samuel Huntington, die eerder voorstellen had gedaan voor het terugdraaien van de democratie, benoemd was tot coördinator voor veiligheid. Samen met zijn chef, Carter’s Nationale Veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski, moderniseerde Huntington ook het Continuity in Government (COG) planningssysteem. Dit gaat terug naar geheime plannen onder Eisenhower voor een noodtoestand na een kernoorlog. Later zou de taak van FEMA worden gewijzigd van het helpen van de regering na een kernoorlog naar ondersteuning in de nasleep van een terreuraanval, maar dat kwam pas onder Bush Sr en Clinton.
Ten tijde van Carter leek het allemaal nog de andere kant op te gaan. Het Congres legde de beperkingen op inzake de geheime buitenlandse operaties van de CIA, waar de Commissie-Church om had gevraagd; de nieuwe CIA-directeur, Admiraal Stansfield Turner, ontsloeg belangrijke CIA-figuren die bij zulke operaties betrokken waren geweest. Dit leidde ertoe dat een groep Saoedische en andere buitenlandse geheime diensten een uiterst rechts alternatief inlichtingennetwerk opzetten om het communisme te bestrijden, de ‘Safari Club’. Samen met een ‘schaduw-CIA’ van ontevreden veteranen van die dienst sloegen ze de handen ineen om Carter’s herverkiezing in 1980 te verhinderen. In juli van dat jaar kwam William Casey, Reagan’s campagnemanager en later directeur van de CIA, in geheime onderhandelingen met Israëlische en Iraanse vertegenwoordigers tot een akkoord om de gijzelaars in de Amerikaanse ambassade bij de Islamitische Republiek, nog een tijdje vast te houden (die waren gegijzeld uit protest over het toelaten van de afgezette Sjah). Als Reagan dan verkozen zou zijn, konden ze worden vrijgelaten in ruil voor wapens die dan via Israël aan Iran zouden worden geleverd.
Kennedy, Nixon en Carter waren niet de enige slachtoffers van hun eigen schaduwstaat. We moeten ook kijken naar het complet tegen de Britse Labour-premier Harold Wilson in the jaren 70 en er waren zelfs moordaanslagen om te verhinderen dat figuren rond Margaret Thatcher hun plannen om de geheime diensten MI5 and MI6 te reorganiseren, zouden kunnen uitvoeren. Ook de verwijdering van de Australische Labour-premier Gough Whitlam midden jaren 70 past in dit beeld. Maar dat waren dan ook jaren waarin links dichter bij de werkelijke staatsmacht leek te komen.
 
 
De inlichtingendiensten van de ‘Five Eyes’ vormen vandaag de dag nog steeds de kern van het wereldomspannende Westelijke inlichtingennetwerk. De conclusie moet zijn dat deze diensten een staat binnen de staat vormen. Natuurlijk hebben zij ook terroristen in het vizier, zij het niet altijd om ze op te pakken. Daarnaast is gebleken dat ze er ook niet voor terugschrikken om hun eigen gekozen politieke leiders te verwijderen. Dit is het netwerk waar de Nederlandse inlichtingendiensten formeel aan gekoppeld zullen worden. Dat is de strekking van de Wiv die in maart in een referendum zal worden onderworpen.
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
Illustraties Michiel Kassies
NSA, politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (3) UKUSA, ECHELON en de ‘Five Eyes’

De infrastructuur voor afluisteren en bespioneren zoals we die vandaag de dag kennen dateert van de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog was niet alleen een strijd tegen het nazisme en fascisme, maar ook een meer verborgen oorlog tegen links. Toen werd ook de Brits-Amerikaanse structuur opgezet om in de oorlog vergaarde signaal-inlichtingen (‘SIGINT’, gedecodeerde militaire communicatie) en inlichtingen verkregen door het afluisteren van communicatie (‘COMINT’) uit te wisselen.
 
 
Dit werd geformaliseerd met de UKUSA overeenkomst van 1947-48 (eigenlijk een reeks overeenkomsten, briefwisselinmgen, en memoranda). Groot Brittannië bracht in deze overeenkomst ook zijn inlichtingenband met de Dominions (Canada, Australië en Nieuw-Zeeland) in. De vandaag de dag bestaande samenwerking tussen de NSA, GCHQ en vergelijkbare organisaties van de drie andere landen, de ‘Five Eyes’, vormt het hart van het Westerse inlichtingennetwerk.

In de Koude oorlog werd de inlichtingensamenwerking van de Five Eyes uitgebreid naar een aantal niet-UKUSA landen, de zgn. ‘Derde Partij’ NAVO-landen zoals West-Duitsland, Denemarken en Noorwegen en natuurlijk Nederland. Buiten de NAVO kwam het tot samenwerking met landen als Israël, Japan, en nog vele andere bondgenoten.
In de jaren 70 kwam aan het licht dat de Five Eyes het ECHELON-systeem in gebruik hadden om buitenlandse communicatie te onderscheppen. Britse onderzoekers kwamen hier achter en stelden vast dat de afgeluisterde berichten overgedragen werden aan de NSA. Ze werden prompt gearresteerd maar hun proces leidde tot nieuwe aandacht en onderzoek. Zo kwam naar buiten dat het NSA afluisterprogramma het merendeel van de satelliettelefoongesprekken in de wereld oppikte, Internet, e-mail, fax en telex.
ECHELON werd officieel opgericht in 1971 (toen heette het nog Shamrock, in 1975 kreeg het de naam die we nu kennen). Inmiddels was het uitgegroeid tot een mondiale afluisterstructuur die alle electronische communicatie aftapt, voornamelijk niet-militaire doelen: regeringen, organisaties en bedrijven in praktisch ieder land. In de jaren negentig was het zover dat het ECHELON-programma zonder onderscheid zeer grote communicatiestromen onderschepte. Daar werd dan uitgezeefd wat van waarde was, o.a. door kunstmatige intelligentie te gebruiken zoals Memex en daarmee sleutelwoorden op te sporen.
De informatie die zo werd verzameld werd niet alleen opgeslagen maar ook gebruikt voor regelrechte repressie. In de VS werd een plan voor noodsituaties, Garden Plot, opgesteld om twee legerbrigades paraat te houden voor onlusten die zouden kunnen uitbreken na de moordaanslagen op Martin Luther King en Robert Kennedy in 1968.
In 1970-71 brak en schandaal uit toen duidelijk werd dat het Amerikaanse leger dossiers over 7 miljoen Amerikaanse burgers had verzameld die betrokken waren bij de anti-Vietnam- en de burgerrechtenbeweging (voor zwarte Amerikanen). Die werden dan via ARPANET (de voorloper van het Interne opgezet door het Pentagon) aan de NSA doorgegeven voor opslag. De NSA bespioneerde ook mensen zoals Frank Church, de senator die de commissie zou leiden die deze praktijken zou gaan onderzoeken.
De Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) van 1978 moest een einde maken aan het bespioneren van de eigen burgers maar door uitzonderingsbepalingen werkte hij juist als een legitimatie om ermee door te gaan. Ook zou ECHELON later gedetailleerde informatie verzamelen over de aanslagen van 9/11, ruim van te voren. Maar met die informatie werd niets gedaan om ze te voorkomen. Dat wat betreft ‘de strijd tegen het terrorisme’.
 
 
Heel belangrijk, zowel voor de oorsprong van het begrip van een Oorlog tegen de Terreur als voor praktische repressie, heeft de NSA-band met Israël zich ontwikkeld naar een niveau dat vergelijkbaar is met de band tussen de Five Eyes (dus de Eerste/Tweede Partij, oftewel ‘Tier A’).
De NSA levert Israël ongesorteerde inlichtingen in bulk, hetgeen wettelijk verboden is, maar dat wordt genegeerd. En dat terwijl Israël wordt gezien als een van inlichtingendiensten die het meest agressief zijn in het afluisteren van de VS. Naast Tier A maken NAVO en EU landen zoals Nederland, maar ook formeel neutrale staten zoals Zwitserland, deel uit van ‘Tier B’ (Derde Partij). In Azië en het Midden-Oosten wordt de Derde Partij/Tier B gevormd door Zuid-Korea and Japan, India, Pakistan, Saoedi Arabië, de Emiraten, enz. Soms worden deze landen ook betaald voor hun afluisterwerk. Maar landen uit deze groep zoals Duitsland, Brazilië en India worden ook weer afgeluisterd door de VS. Dat alles is bij elkaar het fundament waarop een Atlantische politiestaat gefundeerd zal worden.
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
Illustraties van Michiel Kassies
NSA, politiestaat, WIV-referendum

Naar een Atlantische politiestaat? (2) Orwell’s ‘1984’ en permanente oorlog

De onthullingen van Edward Snowden over de wereldwijde afluistersystemen die door de Amerikaanse National Security Agency (NSA) worden gerund hebben velen ertoe te gebracht om de slogan uit het boek ‘1984’ aan te halen, ‘Big Brother Is Watching You’. In Orwell’s nachtmerrie-achtige toekomstfantasie, wordt dit gedaan via overal aanwezige ‘teleschermen’ die de Partij gebruikt om leugenachtige propaganda te verbreiden en de bevolking te bespioneren.
 


Dit was echter niet alleen maar een kwestie van propaganda en bewaking. Het systeem berustte ook op een permanente staat van oorlog en de staat van beleg die daarmee gepaard ging. Orwell’s boek was geïnspireerd door de autoritaire wending van het Sovjet-communisme onder Stalin, maar zoals we vandaag kunnen zien is het van veel bredere betekenis. Vooral omdat het een wetenschappelijke analyse bevat van het verband tussen oorlog en repressie plus afluisteren. In de roman wordt deze kwestie behandeld door de auteur van een fictief boek-in-het-boek, ‘Emmanuel Goldstein’, alter ego van Trotzki. Goldstein’s fictieve ‘Theory and Practice of Oligarchical Collectivism’ is een bron van troost voor de hoofdpersoon van 1984, een Snowden of Manning avant la lettre. Het bevat een stelling die opmerkelijk actueel is.

‘Goldstein’ legt in zijn verhandeling (in ‘1984’) uit dat oorlog in de huidige tijd niet langer een zaak is van de heersende groepen van verschillende landen die elkaar bevechten. ‘De oorlog wordt door iedere heersende groep gevoerd tegen zijn eigen onderdanen, en het doel van de oorlog is niet om gebied te veroveren of te verdedigen, maar om de bestaande maatschappijorde in stand te houden.’ Door de oorlog permanent te maken, is het begrip oorlog in de oude betekenis van de baan, concludeert Orwell/Goldstein.
In het huidige ‘Oceanië’ (de Atlantische wereld, een van de drie blokken in ‘1984’) wordt deze voorspelling bewaarheid in de Oorlog tegen de Terreur. De ‘terroristen’, dus al-Qaeda of een van de uitlopers ervan, zijn geen vijand die verslagen moet worden maar een Amerikaanse bondgenoot uit de tijd van de anti-Sovjet-opstand in Afghanistan. Nadat Gorbatsjov zich uit die strijd had teruggetrokken, werd al-Qaeda een machtsinstrument voor de Amerikaanse politiek dat benut kon worden voor andere doeleinden. Maar het moest ook goed in de gaten worden want uiteindelijk waren dit figuren die het Afghaanse communisme hadden bestreden vanuit de ideologie van de jihad, geïnspireerd door de anti-Westerse, Wahabi-versie van de Islam uit Saoedi-Arabië.
De organen die belast zijn met het bewaken van zulke potentieel onhanteerbare bondgenoten zijn de inlichtingendiensten. Zij zijn het ook die buitenlandse oorlogvoering (vandaag de dag, de Oorlog tegen de Terreur) koppelen aan spionage in eigen land. In de VS was het bespioneren van de eigen bevolking de taak van de FBI onder haar legendarische directeur, J. Edgar Hoover. Hoover wilde direct na de Tweede Wereldoorlog president Truman mee krijgen met het idee dat het Amerikaanse State Department, dat volgens Hoover geïnfiltreerd was door de Sovjet-spionagenetwerk, aan een onderzoek moest worden onderworpen. Toen de president dit paranoïde voorstel wegwuifde, wendde Hoover zich tot het Huis van Afgevaardigden en de Senaat en daar wist hij resp. Richard Nixon en Joseph McCarthy voor zijn heksenjacht te winnen. De vervolging van ‘On-Amerikaanse activiteiten’ was een feit en zou diepe sporen achterlaten in het Amerikaanse publieke bewustzijn. Het McCarthyisme luidde de Kouode Oorlog in maar in zekere zin bereidde het de VS en het bredere Westen ook voor op een collectieve psychose zoals die van de Oorlog tegen de Terreur.
Toch waren in de periode de technische middelen om de bevolking en haar vijanden te bespioneren nog beperkt, vandaar dat Eisenhower, toen nog stafchef van het Amerikaanse leger, de strijdkrachten in 1946 opriep om nauwer samen te werken met civiele research en ontwikkeling. Zo moesten nieuwe militaire machtsmiddelen worden verworven. In 1952 werd Eisenhower tot president gekozen. Met Nixon als vice-president maakte het McCarthyisme nog één laatste hoogtij mee; maar toe de Senator zijn pijlen richtte op het Amerikaanse leger werd hij afgeserveerd.
Het bespioneren van het berichtenverkeer werd echter voortgezet. In de periode 1947 tot 1975 verzamelde de NSA al miljoenen telegrammen die van en naar Amerikaanse adressen waren gestuurd, krachtens een geheime overeenkomst met drie telegrafiemaatschappijen. Op een computersysteem van de CIA waren 200.000 individuen geregistreerd en in één CIA-operatie, ‘CHAOS’ (1967-1973) belandden meer dan 7000 Amerikaanse burgers en meer dan 100 groepen in de registers.
Vandaag de dag is het afluisteren door de NSA en andere diensten onbeperkt geworden. In waarlijk Orwelliaanse geest (denk aan zijn ‘Ministerie van Waarheid’) zijn grote Internetbedrijven zoals Google behulpzaam om het zgn. nepnieuws af te vangen, zodat mensen niet aan ongewenste informatie (‘samenzweringstheorieën’) zullen worden blootgesteld. De maatschappijen hebben hun algoritmes bijgesteld om linkse sites niet langer te laten verschijnen bij het zoeken op Internet. De World Socialist Website, Global Research, en meer van zulke sites hebben al forse dalingen in aantallen bezoekers vastgesteld. Facebook volgt instructies van de Amerikaanse en Israëlische regeringen op om accounts met ongewenste informatie te verwijderen. Waarom doen ze dat anders dan ter wille van een Orwelliaanse ‘voortdurende oorlog’—tégen de bevolking?
Kees van der Pijl
Voor een complete tekst met verwijzingen, zie Surveillance Capitalism and Crisis
politiestaat, WIV-referendum

Sleepnetwet als opstap naar een postmoderne politiestaat

De Sleepnetwet werd in juli jongstleden, in de nacht voor het reces, bij open stemming aangenomen in de Eerste Kamer. Dankzij de oplettendheid van verschillende groepen is een campagne gestart om een raadgevend referendum af te dwingen.

Nu de eerste 10.000 handtekeningen binnen zijn gaat het om de 300.000 die er op 12 oktober moeten zijn om het referendum ook echt te houden. Dat zal niet vanzelf gaan, want de mensen zijn sceptisch over referenda, na twee maal bedrogen te zijn. Daarnaast is men òfwel niet op de de hoogte van waar het over gaat, òfwel onverschillig, onder het motto, ‘we worden toch wel afgeluisterd.’ Maar als eenmaal een sterke staat en een permanente noodtoestand zijn gevestigd, zullen ze niet meer worden afgeschaft. We hebben dus een éénmalige kans om deze overval op de democratie ongedaan te maken. 
 
 
De Sleepnetwet is onderdeel van een internationale ‘veiligheidsstructuur’ die vanuit de Verenigde Staten aan de EU is opgelegd. Toen PvdA-minister Plasterk indertijd werd betrapt op het voorliegen van de kamer inzake het doorgeven van de afluistergegevens aan de Amerikaanse inlichtingendienst NSA, werd al duidelijk dat het surveilleren van de bevolking niet een op zichzelf staande Nederlandse politiek is. Het past in een vanuit de VS geregisseerde uitbreiding van een Atlantische politiestaat.
 
In 1991 kwam aan het licht dat de Amerikaanse FBI al jaren aandrong op een Europese afluisterstructuur die in de nationale wetgevingen moest worden opgenomen onder de noemer van terrorismebestrijding. In 1998 rapporteerde het Europese Parlement dat dit afluisteren ten behoeve van de Amerikaanse inlichtingendiensten (het ‘Echelon’-programma) al veel te ver was gegaan. Maar na de aanslagen in New York van 9/11 verstomde deze kritiek en het EP heeft bovendien niets te vertellen.


De Atlantische ‘veiligheidsstructuur’ is sindsdien voortdurend uitgebreid en het is aan nationale regeringen in Europa om dit permanent te maken. In een artikel in Monthly Review van januari 2017 spreekt de Belgische socioloog Jean-Claude Paye in dit verband van ‘de politiestaat als postmoderne vorm van de nationale staat’, kortweg: de postmoderne politiestaat.

Al tijdens de Koude Oorlog bediende de NAVO zich van een ondergrondse terreurorganisatie om politiek te interveniëren; het bestaan daarvan kwam in 1991 in Italië aan het licht als ‘Gladio’. Ook in Nederland was er een tak van dit leger (hoofd was de latere PvdA-minister van buitenlandse zaken Max van der Stoel). In Italië, België, Griekenland en Turkije weet men dat ook toen al ‘crisis-management’ onderdeel van de NAVO-taken was.

Voor de Franse president Charles de Gaulle was dit in 1966 onder meer aanleiding om uit de militaire organisatie van de NAVO te stappen. Zelf was De Gaulle in 1958 aan de macht gekomen onder de noodtoestand krachtens artikel 16 van de grondwet, afgekondigd toen de generaals van het leger in Algerije een staatsgreep wilden plegen. Een dramatisch moment in de Franse geschiedenis, waarbij de recente aanslagen, hoe ernstig ook, in het niet vallen.

Pas onder Chirac, in 1999, keerde Parijs terug in het NAVO-gelid al bleven de gaullistische reflexen levend, m.n. in de NAVO-luchtoorlog over Kosovo. Onder zijn opvolger Sarkozy ging Frankrijk enthousiast deelnemen aan NAVO-operaties zoals in Libië in 2011, waarvan de gevolgen inmiddels duidelijk zijn. Daarnaast reorganiseerde Sarkozy de inlichtingendiensten om ze beter in te passen in de Atlantische ‘veiligheidsstructuur’. Ook de inlichtingenbanden met Israël, dat aan de wieg van de ‘Oorlog tegen de Terreur’ stond, werden aangehaald.

In de VS werd de noodtoestand ingesteld na de aanslagen van 9/11 en door Bush Jr, Obama, en nu ook door Trump, steeds verlengd. Onder de noodtoestand zijn allerlei grondwettelijke rechten opgeheven en dat blijven ze dus.

Na de aanslagen op Charlie Hebdo en Bataclan in 2015 werd ook in Frankrijk de noodtoestand ingevoerd. Hollande verlengde haar na de aanslag in Nice op 14 juli 2016—twee weken voordat ze automatisch zou zijn opgeheven. Hollande wilde nog een stap verder gaan, want de noodtoestand is altijd tijdelijk en niet toereikend voor de Oorlog tegen de Terreur, die zoals het zich laat aanzien, blijvend is. Zijn plannen om de noodtoestand in de grondwet een permanent karakter te geven, moest hij echter voorlopig intrekken.

Toch gaat de ontwikkeling naar een postmoderne politiestaat door. Ondanks sussende woorden van regeringen en economen, leven we immers in een permanente diepe crisis, waarin de regeringen hun bevolkingen niet meer vertrouwen en de Atlantische heersende klasse de regeringen niet meer. Vandaar, of er nu sprake is van ‘terrorisme’ of niet, de voortgaande inspanningen om de politiestaat vaste vorm te geven. Daarmee is de grens tussen een oorlogstoestand en de dagelijkse politiek vervaagd: in diverse Europese landen zijn gewapende militairen inmiddels onderdeel van het straatbeeld, en er wordt aan gewerkt om ook buitenlandse NAVO-militairen die patrouilles te laten uitvoeren.

De Sleepnetwet is een onderdeel van deze uitbouw van de politiestaat. Het is een overval op de democratie die bij ons nog maar één keer in stemming zal komen.

Bij een referendum.

Kees van der Pijl

politiestaat

De globale reikwijdte van de Amerikaanse justitie

Steeds vaker treedt de Amerikaanse justitie als mondiale rechter op. In 2015 klaagde de FBI een aantal FIFA-bestuurders aan wegens corruptie alhoewel die corruptie niet in de VS plaatsvond. In 2014 besloot de toen 84-jarige Thomas P Griesa, rechter in New York, dat de Amerikaanse speculant Singer, die na het Argentijnse bankroet (2001) Argentijnse staatsschulden voor een schijntje van de oorspronkelijke prijs had opgekocht, bij Argentinië recht heeft op volledige terugbetaling van die schulden. Maar Argentinië was al met 97 per cent van de crediteurs tot een akkoord gekomen de schulden tot 30 per cent van de nominale waarde (voor een totaal van 82 miljard dollar) af te waarderen omdat Argentinië niet in staat was om de volledige schuldenlast te dragen. De schulden waren in dollars en vielen onder Amerikaans recht. 



Het vonnis van Griesa legde een tijdbom onder de tot dan toe geldende praktijk bij het herstructureren van staatsschulden. De schikking met de andere schuldeisers werd onderuitgehaald. Het leidde onder andere tot uitsluiting van internationale financiële markten en beslaglegging op Argentijnse eigendommen in het buitenland. Eerst in 2016 kon de nieuwe rechtse regering onder Mauricio Macri tot een schikking komen.
De machinaties van de Amerikaanse justitie in Oekraïne laten duidelijk een verband zien tussen politiek en strafvervolging. De FBI vaardigde oktober 2013 een arrestatiebevel uit tegen de in Wenen verblijvende Oekraïense oligarch Dimitry Firtash voor een omkopingszaak in India.

Firtash had grote invloed op President Janoekovitsj die kort daarvoor, oktober 2013, na een gesprek met President Poetin, had laten weten toch minder geïnteresseerd te zijn in het tekenen van een associatieakkoord met de EU. De Amerikaanse staatssecretaris van buitenlandse zaken Victoria Nuland wilde Firtash in Wenen hierover spreken, en een dag voor haar bezoek aan Wenen organiseerde ze een voorlopige opheffing van het arrestatiebevel. Een dag later sprak ze in Kiev met President Janoekovitsj die volgens Nuland het EU-associatieakkoord weer wilde tekenen (The Guardian, 23 januari 2016).

Korte tijd later ging Janoekovitsj weer om en weigerde te tekenen. Dat was het signaal voor de Maidan demonstraties. Na de Maidan coup speelde Firtash een rol bij de presidentsverkiezingen. In een Weens onderonsje met Klitsjko en mede-oligarch Porosjenko, overtuigde hij de populaire bokser niet te gaan voor het presidentschap en dit aan Porosjenko te laten. Klitsjko stelde zich vervolgens kandidaat voor het burgermeesterschap van Kiev. Hierna werd het FBI-arrestatiebevel voor Firtash weer van kracht (vermoedelijk wegens de Russische connectie van Firtash) alhoewel Oostenrijk, waar hij verbleef, hem niet uitleverde en hem vrijliet na het betalen van een borgsom van 125 miljoen euro. Dat was een kordatere opstelling tegenover de Amerikanen dan in juli 2013, toen Oostenrijk op verzoek van de Amerikanen en tegen alle diplomatieke regels in het presidentiele vliegtuig van de Boliviaanse President Evo Morales, dat op weg was van Moskou naar La Paz, doorzocht en liet weten dat Edward Snowden zich niet in het vliegtuig bevond.

De rol van de Amerikaanse justitie is ook heel prominent in de relaties met Iran.

De New Yorkse rechter George Daniels besloot maart 2016 dat Iran aansprakelijk kan worden gesteld voor de aanslagen van 11 september 2011 in New York en dat slachtoffers voor 10,5 miljard dollar schade kunnen claimen bij Iran. Dit bedrag kan onttrokken worden aan in de VS bevroren tegoeden van Iran. Bij mijn weten is er geen enkele aanwijzing dat Iran betrokken is bij de aanslagen op het World Trade Center en ook de Amerikaanse rechtbank kwam met geen enkele bewijslast.

Ernstiger nog is het feit dat alhoewel in het nucleaire akkoord met Iran (2015) is afgesproken dat UN economische sancties worden opgeheven alsook het economische embargo van de VS en de EU, de Verengde Staten sancties handhaven voor financiële transacties met Iran. Het is nog steeds verboden voor Amerikaanse banken om zaken te doen met Iraanse banken waarbij verwezen wordt naar antiterrorisme wetgeving. Europese ondernemingen kunnen nauwelijks zakendoen met Iran omdat zij Amerikaanse sancties vrezen. Dit geldt ook voor Europese banken. Volgens Marietje Schaake, lid van het Europese Parlement en hoofd van de commissie voor relaties met de VS, “wordt Europa in gijzeling gehouden door de Amerikaanse politiek” (New York Times, 21 April 2016).

Deze Amerikaanse obstructie ondermijnt de geloofwaardigheid van de VS en versterkt de hardliners in Iran die altijd al hebben gezegd dat de VS niet te vertrouwen is.

Amerikaanse antiterrorisme wetgeving blijkt de economie van een aantal landen te ontwrichten.

Bijvoorbeeld, banken in Libanon wordt het werken onmogelijk gemaakt omdat volgens Amerikaanse wetten elke bank die zakendoet met ‘terroristen’ bestraft moet worden. In Libanon geldt dit voor Hezbollah. Omdat Hezbollah een massabeweging is, die ook ziekenhuizen en onderwijsinstellingen onder haar hoede heeft, is het voor banken uiterst moeilijk uit te maken of een cliënt ook lid van Hezbollah is. Als een bank op de Amerikaanse zwarte lijst komt wordt elke transactie in dollars onmogelijk gemaakt. Dit is een groot probleem omdat de dollar het internationale betalingsmiddel bij uitstek is.

De Amerikaanse justitie ziet elke handeling waar dollars bij betrokken zijn als voldoende rechtvaardiging om voor de VS strafbare feiten, ook al zijn die in buitenland gepleegd, aan te pakken. Dit was bijvoorbeeld het geval bij het Franse bedrijf Alstom dat op basis van de Foreign Corrupt Practice Act een boete opgelegd kreeg van 772 miljoen dollar ondanks het feit dat het smeergeld buiten de VS terechtkwam en was betaald door stromannen die ook geen voet in de VS hadden gezet (Trouw, 27 mei 2016).

Corruptiedeskundige Thomas Fox zegt “Als een deel van het geld via een Amerikaanse bank wordt overgemaakt heb je al een probleem met justitie. Ook als er een email over wordt verzonden via een bedrijf uit de VS. En ook als je reist via de VS” (Nos.nl, 4 maart 2015). De Amerikaanse anti-witwaswet treft niet alleen omkoper maar ook omgekochte. Volgens Fox mag niemand, ook als je buitenlander bent, met Amerikaans geld rotzooien.

Het veelvuldige ingrijpen van de Amerikaanse justitie buiten de VS laat de wereldwijde macht van de VS zien. Maar aan de andere kant ondermijnt dit justitieel activisme ook de Amerikaanse hegemonie.

Hans van Zon